Structuur van België

Federale staat

Toch houdt de federale staat belangrijke bevoegdheden, onder meer op het vlak van buitenlandse zaken, landsverdediging, justitie, financiën, sociale zekerheid, belangrijke delen van volksgezondheid en binnenlandse zaken... De gemeenschappen en de gewesten zijn echter ook bevoegd voor buitenlandse betrekkingen. Regionale en culturele identiteiten verzoenen met een federale structuur is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Toch heeft dit als voordeel dat het besluitvormingsproces dichter bij de bevolking komt.

Gewesten

De tweede lijn van de staatshervorming werd historisch geïnspireerd door economische belangen. De gewesten, die naar meer economische autonomie streefden, drukken deze belangen uit. De oprichting van drie gewesten was hiervan het gevolg: het Vlaamse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het Waalse Gewest. Ze zijn tot op een zekere hoogte vergelijkbaar met de Amerikaanse Staten en de Duitse "Länder".

Gemeenschappen

De herverdeling van de bevoegdheden verliep langs twee lijnen. De eerste lijn heeft te maken met taal en, in een ruimer kader, met alles wat de cultuur aangaat. Hierdoor ontstonden de gemeenschappen. Het concept "gemeenschap" verwijst naar de personen waaruit zo'n gemeenschap bestaat en naar de band die deze personen verenigt, namelijk hun taal en cultuur. België ligt op de breuklijn van de Germaanse en de Latijnse culturen.

Provincies

Het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijft over en valt buiten de indeling in provincies, maar heeft wel een gouverneur. De bevoegdheden over de gemeenschapsaangelegenheden die in dat gewest toebehoorden aan de provincieraad en de Bestendige Deputatie van de oude provincie Brabant, worden voortaan uitgeoefend door de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

Gemeenten

De gemeenten bestonden reeds vóór de Belgische staat en ze werden erkend door de grondwet van 1831. Hun organisatie is bepaald in de wet van 1836. In 1988 verscheen de nieuwe gemeentewet. Van bij het begin van hun oprichting was er sprake van 'gemeentelijke autonomie'. Dat betekent niet dat de gemeentelijke verkozenen alles mogen doen, maar wel dat ze over een ruime autonomie beschikken in het kader van de bevoegdheden die ze uitoefenen, onder toezicht van de hogere overheden.